Theatermaker

Liefhebber

“Ik voel zo gauw, Zo veel ook. Dingen die er helemaal niet zijn. Maar ben ik in het theater: niets voel ik. Er is ook niets! Kunst. Kut!”   Gerardjan Rijnders – Liefhebber. Pagina 19.

Ik las laatst met een groepje studenten de tekst Liefhebber van Gerardjan Rijnders. Het is een van mijn lievelingstheaterteksten. Niet in de laatste plaats omdat ik er een kritiek in lees. Een kritiek op het theater. In de voorstelling zelf wordt aan deze kritiek een sterke tegenklank gegeven (terwijl Gerardjan Rijnders hem misschien wel veel minder streng of stellig bedoelde dan ik hem lees), maar toch zou ik heel graag de kritiek willen bespreken. Omdat het voor mij nog steeds een van de meest onoplosbare problemen lijkt waar het theater mee te kampen heeft. Omdat ik helemaal niet weet of Gerardjan Rijnders dit nou echt als de kritiek zag en ik ook niet weet of het überhaupt bedoeld was om serieus genomen te worden, wil ik de kritiek graag als mijn eigen presenteren. Maar weet dat ik het gelezen heb in Liefhebber.

Voor mij komt de kritiek neer op het volgende: dat ieder mens tegen wil en dank in staat is de meest diepe en betekenisvolle tragedies te voelen, maar dat het maar niet lukt om die oprechte gevoelens op het toneel te krijgen. Het probleem bestaat er in die zin uit dat bij de vertaalslag van een mens die iets voelt, naar een acteur die dat wat hij voelt moet tonen op het toneel, er iets verloren gaat. Ik zou dat iets oprechtheid willen noemen. En de kritiek bestaat er in die zin dus uit dat de oprechtheid die we in ons dagelijks leven niet eens zouden kunnen vermijden, niet op het toneel bestaat.

Het resultaat is dat we altijd maar naar een schim zitten te kijken. Hevig uitgedost met grootse decors, en sprekende, meeslepende kostuums. Maar als de acteurs en actrices uiteindelijk aan het spelen gaan kunnen ze ons hooguit herinneren aan alles wat we in het echte leven wel kunnen voelen, op het toneel komt er niets tot leven.

Het nare hiervan is dat in het theater juist dat voelen de grote kruiwagen is. Het is in het hedendaags theater bijna nooit een doel op zichzelf, maar het is bijna altijd het vehikel waarmee inhoud wordt bereikt: een denkwijze waar we onszelf normaal misschien verre van zouden houden kan middels die voelbaarheid begrijpelijk worden gemaakt, ons kan iets worden verteld over de menselijke conditie. Als er dus iets mis is met het vehikel, kunnen we ons nog wel inleven dat we nog echt toegang hebben tot al die inhoud waarover theater ons zou willen beroeren, maar we kunnen net zo goed een goed filosofisch traktaat over de menselijke conditie lezen. We denken het op een oprechte, nieuwe manier te kunnen benaderen, via het levende gevoel dat in het theater zit, maar als juist dat gevoel niet tot leven kan komen kunnen we alleen komen tot wat wij zelf al wel konden bedenken.

Het theater heeft dus een probleem als deze oprechtheid ontbreekt. Ik had het met het groepje met wie ik Liefhebber had gelezen over wat zij van mijn uitleg van de kritiek vonden. Het antwoord dat ze gaven was dit: “Ik ben het wel met de kritiek eens, maar geloof niet dat het klopt, want ik ga heel graag naar het theater en geniet daar ontzettend van!” En eerlijk is eerlijk, ik zit ook wekelijks in het theater en kom lang niet altijd negatief naar buiten. Nu hoort daar zeker nog een tweede kritiek bij; de kritiek op de toeschouwer, maar daarover meer in de volgende blog. Maar wat ik maar wil zeggen is dat we ondanks deze kritiek nog niet direct al het theater af hoeven te zweren. Maar wat denk ik wel van vitaal belang is voor het voortbestaan van het theater is als we deze kritiek serieus nemen. Dat makers zich blijven afvragen of het vehikel dat ze gebruiken wel echt werkt. Dit is de afgelopen eeuwen constant gedaan, bijvoorbeeld door Bertolt Brecht met het episch theater, waarbij niet via emoties maar juist via het denken werd gewerkt. Of wat je sinds de jaren ’60 veel ziet is theater dat vertrekt vanuit het persoonlijke verhaal van degene op het toneel, waarmee gezocht wordt naar een oprechtere manier van spelen.

Maar het laatste dat ik zou willen is dat we ons terugtrekken op bekend terrein (alleen nog maar Shakespeare en Tsjechov spelen) en het publiek laten genieten van een schim van wat theater zou kunnen zijn. Want dan denk ik dat theater over 50 jaar niet meer bestaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *